Waarom gender als thema?

Naar aanleiding van de tentoonstelling GENDER! vroeg fotograaf Hans van der Kamp zich af of hij niet altijd een beetje ontwijkend was geweest met antwoorden op de vraag waarom nu juist het thema van genderdiversiteit al sinds 1976 in zijn werk vertegenwoordigd was.


Zelfportret HvdK december 1980
Zelfportret december 1980

Er is één vraag in het bijzonder over mijn werk die ik nooit heb kunnen of heb willen beantwoorden en dat is de vraag waarom nu juist dit specifieke thema al bestond in mijn fotografie voor mijn twintigste en doorloopt tot nu.

Tot mijn eigen verbazing heb ik die vraag pas serieus geprobeerd te beantwoorden bij het samenstellen van deze derde wat grotere tentoonstelling GENDER! De eerste tentoonstelling was eind jaren zeventig en heette Mimicry, een term uit de biologie voor nabootsing of camouflage. Die eerste tentoonstelling kwam niet verder dan een of twee coffeeshops en mag een flop heten, al hebben de beelden uit die serie door het verloop van tijd een toegevoegde waarde gekregen. De tweede, wat grotere expositie eind jaren negentig heette Gender Benders, en daar sprak veel van mijn eigen liefde voor het onderwerp uit. Die serie of delen ervan zijn met tussenpozen bijna vijftien jaar lang geëxposeerd of gepubliceerd.

Deze laatste tentoonstelling Gender! is een nieuwe selectie uit werken die vanaf 1976 tot 2020 zijn gemaakt. Ik heb even geflirt met de gedachte dat dit de laatste tentoonstelling zou worden, maar vorige week nog was ik alweer druk bezig nieuwe fotosessies in te plannen met precies dit beproefde thema.

In de tussentijd heb ik ook besloten dat het tijd werd dat ik die vraag nu eens, al was het alleen maar voor mezelf, te beantwoorden en bij mijn zoektocht langs herinneringen uit mijn jeugd, kom ik niet om mijn moeder heen.

Zij had liever een dochter gehad en dat stak ze niet onder stoelen of banken. Misschien was ze zelfs, als de vrome katholieke vrouw die ze toen nog was, lichtelijk geïrriteerd dat haar gebeden niet waren verhoord.

Maar wat God in zijn almacht niet bereiken kan, dat is voor een intelligente en gemotiveerde moeder een peulenschil. Ze was een kleine, maar krachtige vrouw die bovendien een begaafd coupeuse was. Ze kon naar een foto van Jacky Kennedy kijken en vrijwel tegelijkertijd uit een krant een patroon knippen om vervolgens drie dagen later in precies zo’n mantelpakje rond te lopen.
Sportief was ze ook en zodra de zon maar even achter de wolken vandaan kwam, nam zij mij als peuter achterop de fiets mee naar het strand van Bloemendaal en het verhaal wil dat ik tijdens deze ritten nodeloos de aandacht trok van andere weggebruikers omdat ik een lichtroze damesbadmuts droeg met felblauwe rubberen bloemen.

Bij leven vertelde mijn moeder die anekdote aan iedereen die het maar wilde horen, als bewijs dat zij mij in mijn excentriciteit altijd alle ruimte had geboden, meestal gevolgd door de wat sombere overpeinzing; ‘Misschien heb ik hem toch te veel vrijheid gegeven.’

Wat zij er echter niet bij vertelde, was dat er voor mij geen andere keuzes waren als hoofddeksel dan die badmuts. En al de jongens die we onderweg naar het strand passeerden hadden wel matrozenpetjes, welpenpetjes, padvinderspetjes, of zelfs hele stoere kapiteinspetten op.

Al snel stond ik ook in de door mijn moeder genaaide outfits voor zeer jonge bruidsmeisjes te poseren. Dat kwam goed uit want een paspop van die maat had ze niet. Ook liet ze mij met boeken op het hoofd door de woning paraderen voor de juiste loophouding. Ze begon met Tolstoi’s Oorlog en Vrede en toen dat boek ook bij het keren aan het einde van het atelier niet meer van mijn hoofd gleed voegde zij daar eerst Anna Karenina aan toe en later de Gebroeders Karamazov.

Het leek bijna vanzelfsprekend dat ik met de zo aangeleerde gracieuze bewegingen op ballet zou gaan, en dat had ik ook wel gewild, maar mijn vader stak daar een stokje voor.

Toch kon haar opvoeding niet verklaren waarom ik nog steeds geen baardgroei kreeg toen andere jongens dat wel al hadden en waarom de winkelier op de hoek mij stug, tegen beter weten in, dagelijks met juffrouw bleef aanspreken.

Ik zou met enig zelfbeklag kunnen stellen dat ik daar onder heb geleden, maar dat viel wel mee. Misschien zat het gebrek aan baardgroei me wel dwars, omdat mijn jeugd zich immers in de jaren zeventig afspeelde en zonder gordijntjeshaar en op z’n minst een snor of baard voelde je je al snel buitengesloten.

Toen ik eenmaal ging puberen, puberde mijn moeder vrolijk mee. Ze negeerde het dwingende advies van mijn vader om vooral geen betaalde baan te nemen, dus in plaats daarvan koos zij ervoor – waarschijnlijk ook een beetje om hem op nette wijze van repliek te dienen – om in het bestuur van de Emancipatieraad plaats te nemen. Ik meen zelfs dat zij een van de oprichters was, maar dat weet ik niet zeker.

Opeens zat mijn ouderlijk huis bijna dagelijks vol met sherry nippende en sigaren rokende dames die de emancipatoire revolutie predikten, maar tegelijkertijd ook weer nooit te laat vertrokken om op tijd thuis te zijn voor de van school komende kinderen.

Haar werk voor de Emancipatieraad vroeg om het schrijven van artikelen en toespraken en dat ging haar niet makkelijk af. Al bij het eerste artikel werd mijn hulp ingeroepen en zo kwam het dat ik op mijn vijftiende achter een in de Tweede Wereldoorlog op de Duitsers buitgemaakte typemachine het ene na het andere manifest eruit hamerde. Het spreekt voor zich dat mijn moeder in het begin achter mij stond te dicteren, maar al snel werd ik met slechts een paar trefwoorden naar mijn zolderkamertje gestuurd en las zij de tekst alleen nog na. Hooguit kwamen er dan nog wat wijzigingen of toevoegingen.

Mijn vader begon zich meer en meer buitengesloten te voelen en steeds vaker ging hij zichzelf ‘van binnen bekijken’, wat zijn vaste benoeming was voor een dutje doen op de bank.

Mijn moeder daarentegen bloeide helemaal op. De naaimachine stond inmiddels stof te happen op de vliering en haar nieuwe wapen werd de telefoon. Uren was zij dagelijks in conclaaf met gelijkdenkenden en omdat haar ambitie niet meer te temmen was, nam zij ook de rol van voorzitter van het Katholiek Vrouwengilde op zich. Mijn vader sputterde, tegen beter weten in, nog wat na over de tegenstrijdige belangen van Emancipatieraad en Katholiek Vrouwengilde, maar het hek was van de dam.

Ook om zijn theorie dat het fonduestel een uitvinding was van feministen die een samenzwering waren gestart om mannen langzaamaan te laten wennen om zelf hun eigen voedsel te bereiden, werd in mijn moeders aanwezigheid allang niet meer straffeloos gelachen.

Nu mijn vader niet meer echt interessant was als sparring partner voor mijn moeder, richtte zij haar pijlen op de pastoor van onze parochie, die er in haar ogen maar een potje van maakte met zijn door beatmuziek opgevrolijkte Heilige Missen en onverbloemde sympathie voor de vredesbeweging. Om maar te zwijgen over zijn pogingen om zijn seksuele voorkeur voorzichtig bespreekbaar te maken.

Dat alles werd door mijn moeder, ondanks of misschien juist doordat ze zelf oorlogsslachtoffer was, hard afgestraft. Werd ik weer met twee of drie trefwoorden de trap op gestuurd voor de zoveelste toespraak, dan riep zij mij steevast na: ‘En niet stiekem weer wat van die ban-de-bom-flauwekul erin verwerken, Hans!’

Van mijn moeder heb ik geleerd dat een mens best twee of drie parallelle of zelfs tegenstrijdige levensovertuigingen kan naleven.

Maar mijn rol als spookschrijver was snel uitgespeeld. Ik kwam in conflict met mijn vader, omdat ik mij stiekem had ingeschreven voor de filmacademie en zelfs aangenomen was, ondanks het absurd hoge aantal inschrijvingen. Dat betekende dat ik het gymnasium niet af zou maken en dat ik uit huis zou gaan. Mijn vader zag een arts of een wetenschapper in mij en hij vond de filmacademie maar een veredelde nijverheidsschool.

Zo kwam het dat ik op een avond wat persoonlijke bezittingen over de heg gooide en via het balkon naar buiten klom om te gaan liften naar de grote stad. Daar liep ik tegen een leraar Engels met een toupet aan, die mij liefdevol opnam in zijn huis dat hij omschreef als een studentenhuis, maar in werkelijkheid werd het huis uitsuitend bewoond door thuisloze jongetjes die hij ergens had opgepikt. Allen van mijn leeftijd en met een zekere vrouwelijke uitstraling.

De jongens spraken een taal die ik niet kende met uitspraken die ik nooit eerder had gehoord. Was de koelkast leeg, dan stond er een jongetje voor dat met groot ongenoegen uitriep: ‘Krijg nou herpes, de Chocomel is op!’ Kwam er een nieuw iemand binnen die niet bepaald over de ideale gelaatstrekken beschikte, dan was er altijd wel iemand die riep: ‘Jouw kop zou onder Monumentenzorg moeten vallen’.

De jongens waren homoseksueel en als ik zei dat ik hetero was dan begonnen ze onbedaarlijk te lachen, terwijl ik beteuterd toe stond te kijken. Ik had toch écht een vriendin. Wat? Ik had er misschien wel twee of drie.

Hoewel het woord commune een scheldwoord was in ons ‘studentenhuis’, deden we vrijwel alles gezamenlijk. Eten, drinken en uitgaan. Maar vooral ook deelnemen aan de feestjes die Gilbert, onze huisbaas, organiseerde.

Feestjes die anders waren dan ik ze kende. Voor de veertigste verjaardag van Gilbert werd mij de rol van bitterballendame toegewezen. Ik herinner me niet dat ik mij daar tegen heb verzet. In weinig tijd werd ik met wat mascara en het touperen van mijn haar plus een tuttig outfitje, dat van een buurmeisje werd geleend, omgetoverd tot bitterballendame.

Doodnerveus liep ik de gemeenschappelijke ruimte binnen met mijn schaaltje bitterballen. Ik kende vrijwel niemand in die kamer, maar geen mens leek ook op te kijken van mijn verschijning. Gelukkig zag ik achterin de kamer een jongen die ik wel kende. Zo gracieus mogelijk liep ik, een paar graaien ontwijkend, met mijn schaaltje bitterballen op hem af.

Het gesprek met hem wilde niet vlotten en het duurde langer dan voor mij nodig zou moeten zijn geweest om te begrijpen dat hij mij, opgetut als ik was, in het geheel niet herkende en dat gevoel was magisch. Ik bestond maar ik bestond tegelijkertijd ook niet. Alle onvrede die ik met humor en relativering diep had weggestopt smolt weg en ik was opeens ook niet meer zo heel ernstig hetero.

Die blijdschap en opluchting maakten snel plaats voor een minder prettig gevoel, want hoe ik ook mijn best deed om vanaf dat moment als homoseksueel door het leven te gaan, iets wat voor de bitterballendame een makkie zou zijn geweest, bleef ik als Hans zonder opsmuk ook seksuele gevoelens voor vrouwen houden, met als gevolg dat ik mijzelf in het vakje biseksueel moest indelen.
Dat was eigenlijk heel makkelijk in een tijd dat androgine personages als David Bowie, Lou Reed en Iggy Pop populair waren, maar minder makkelijk was het in wat we nu de gay scene zouden noemen.

Vooral in mijn vrijwilligerswerk voor het COC werd ik in die tijd regelmatig aangevallen op mijn geaardheid. Biseksualiteit bestond eenvoudigweg niet in de ogen van het bestuur en regelmatig werd de vraag gesteld of het wel verantwoord was om iemand zoals ik – die niet echt uit de kast durfde te komen – eigenlijk wel geschikt was om voorlichting te geven op scholen over homoseksualiteit.

Het werd uiteindelijk een bitter conflict. In landelijke vergaderingen begon ik het aantal discriminerende opmerkingen over hetero’s en biseksuelen te turven en die aan het bestuur voor te leggen. Kortom, mijn werk bij het COC kwam langzaam tot een einde en eerlijk gezegd kan ik hun houding van toen tegenover mensen zoals ik wel vergeven maar niet vergeten.

Hoewel ik heel af en toe als ‘Grace’ optrad in de gay bar, waar ik liederen van Zarah Leander en Marlene Dietrich met veel drama en ‘overacting’ ten gehore bracht, begon ik mij meer en meer te verwijderen van de gay scene. Ze accepteerden me niet zoals ik was en als direct gevolg daarvan was ik op mijn beurt zeker niet meer bereid om hen te accepteren.

Een leven als biseksueel klinkt sommige mensen als aangenaam of op z’n minst gemakkelijk in de oren, maar dat is het niet. Vroeg of laat zit je in een dubbele situatie en moet je iemand diep kwetsen. Dat is verre van gemakkelijk. Doordat veel vrouwen wel begrip toonden voor mijn seksuele dualiteit, kwam ik nog veel verder van de gay scene af te staan. Uiteindelijk werd ik een brave huisvader die met goedkeuring van partner een avondje of wat uitging om te pogen een man te verleiden. Nam ik zo’n man dan mee naar huis en zagen ze door een openstaande slaapkamer mijn partner liggen, dan keerden ze zich ook weer snel genoeg van me af, maar pas nadat ze aan hun gerief waren gekomen, uiteraard. Boys will be boys.

Ik dacht wel vaak na over mijn vrouwelijke kanten, misschien ook wel doordat ik daar door vriendinnen op gewezen werd en een aantal jaren heb dat ook echt als een probleem ervaren, vooral bij mijn eerste wergever, waar nogal een machocultuur heerste. Door de ene na de andere secretaresse of productieassistente te verleiden, probeerde ik aan te tonen dat ik er heus wel bij hoorde, waardoor ik nog veel meer ging lijken op de stereotiepe homoseksueel die in ontkenning leeft.

Uiteindelijk besloot ik de vrouwelijke kant gewoon te accepteren. Een goede vriendin heeft me nog geprobeerd te motiveren om me eens wat vaker als vrouw te kleden, maar dat hielp me niet. Voor mij zat het probleem aan de binnenkant en niet aan de buitenkant. Moe van het erover nadenken besloot ik dat de maatschappij zich dan maar aan mij moest aanpassen, in plaats van andersom. Eenmaal in Amsterdam wonend, lukte dat ook zonder veel problemen.

Ik ontdekte ook dat ik niet op uiterst mannelijke mannen, of zeer vrouwelijke vrouwen viel, zoals ik altijd had gedacht, maar dat ik me veel fijner voelde bij iemand die niet echt vrouwelijk of echt mannelijk was. Het lag voor de hand dat ik me het beste voelde in uitgaansgelegenheden waar drags en travestieten kwamen, maar tot op zekere hoogte bleef het toch een dubbelleven en dat zal het ook altijd wel blijven, omdat ik geen van beide uitersten in mijn gevoelsleven wil missen. Bovendien ben ik inmiddels 64 jaar oud en dat is nou ook weer niet de meest bronstige leeftijd. Nu maak ik me meer zorgen of ik voor vertrek nog wel een extra kop koffie kan drinken voordat ik op een NS Sprinter stap zonder toiletvoorzieningen.

Maar de vraag die ik lang mezelf niet wilde stellen, heb ik nu inmiddels wel beantwoord.

Geef een reactie