Sugi

In 1999 veranderde mijn kijk op wat Drag nu eigenlijk was en dat kwam door Sugi. Misschien had ik niet genoeg om me heen gekeken, maar Sugi was anders. Daarvoor zag ik Drag Queens als mannen in vrouwenkleren en Sugi kon ik niet anders zien dan als een performance artist.

Die eerste keer dat ik Sugi zag was in de Lellebel en ik werd op slag onzeker over alles wat ik daarvoor bedacht had over Drag Queens. Hoewel ik in die tijd nog graag veel dronk als ik uitging, vond ik het moeilijk om naar de bar te lopen om wat te bestellen, want daar stond Sugi in full shining armour klaar, altijd in alle liefde bereid om een valse opmerking naar je hoofd te slingeren, als je je bestelling wat ongeduldig of onhandig formuleerde.

Ik was in die tijd, vlak na het overlijden van mijn vader, in behandeling voor een paniekstoornis die ik ontwikkeld had tijdens zijn ziekteproces. Ik vertelde over mijn kennismaking met Sugi aan de psycholoog bij wie ik behandeling was en ik kreeg weer de vraag die ik in mijn leven zo vaak gehoord heb: ‘Weet je wel heel zeker dat je biseksueel bent? Ik heb je nooit zo liefdevol over een echte vrouw horen praten.’ Ja, dat wist ik nog steeds zeker, net zo zeker als ik was van het feit dat een psycholoog die niet homoseksueel was die vraag nooit aan me gesteld zou hebben en ook de woorden ‘echte vrouw’ niet in de mond zou hebben genomen.

De filosoof Karl Popper beweerde naar ik meen dat alle antwoorden al bestaan, maar dat het wachten is op mensen die de juiste vragen weten te stellen. De juiste vraag in dit geval had moeten zijn: ‘Is het niet ongelooflijk verwarrend om als biseksueel met iemand in aanraking te komen die zowel een mooie man als een mooie vrouw is?’ Die vraag is mij echter nooit gesteld. Het antwoord ligt voor de hand. Ja, natuurlijk.

Even natuurlijk was het dat ik voor de tweede keer in mijn leven verliefd werd op een Drag Queen. Er zat minstens twintig jaar tussen de eerste en de tweede keer, maar de symptomen waren meteen ook twee keer zo heftig. Ik ontwikkelde precies dat slijmerige, kritiekloze en vooral onderdanige gedrag dat ik bij andere verliefde mensen zo irritant vond. Ik besloot, na een tijdje regelmatig de Lellebel bezocht te hebben, dat ik zo’n kwezel was geworden dat ik mezelf niet meer in de spiegel kon aankijken en ik nam afstand van het café. In plaats daarvan begon ik aan de meest promiscue fase van mijn leven. Anderen noemden het een midlife crises, maar ik wist wel beter.

Naast een tour de force langs vrijwel alle dubieuze Amsterdamse uitgaansgelegenheden, begon ik aan de ene relatie na de andere. Het eerste slachtoffer was een onderdanige jongeman die zijn Meesteres miste. Hij ging akkoord met mijn voorwaarde dat ik niet van plan was om een leren pakje aan te trekken of om op hoge hakken rond te lopen. Zo kwam ik dat ik elke vrijdagavond een spel met hem speelde. Hij was goed uitgerust om een gewonde ziel te helen. Regelmatig zette ik hem een oude lampekap op zijn hoofd en zei: ‘Ik wil dat je de hele avond licht geeft in deze duisternis.’ Hij deed dat dan keurig, zonder te klagen. Uren stond hij piemelnaakt zonder zich te bewegen in de hoek van de kamer. Het was een brave jongen. Hij zag zichzelf als heteroseksueel, maar wilde toch graag gepenetreerd worden. Voor de vernedering, zoals hij dat verklaarde. Nou, vooruit dan maar.

Geconditioneerd als ik was door het brave leven dat ik ook maar al te goed kende, fluisterde ik hem tijdens de daad op een dag in de oren dat ik van hem hield. Een uitspraak die in deze periode van mijn leven geen cent waard was, maar nog geen minuut later hoorde ik de klap van de voordeur en ik heb hem nooit meer gezien. Per post stuurde hij me nog drie ongekend lange brieven toe die al in de eerste alinea zo giftig waren dat ik ze nooit heb gelezen.

Daarnaast had ik een ingewikkelde relatie met een meisje van 22 jaar dat zo mogelijk nog zelfzuchtiger en seksverslaafder was dan ik inmiddels op mijn veertigste was geworden. Pas laatst zag ik op foto’s die ik indertijd van haar gemaakt heb, dat ze best veel weg had van Sugi. Het lange zwarte haar dat Sugi indertijd wel eens als pruik droeg, maar ook de kleding.

Sugi was tevens degene die mij de laatste keer zou opmaken als vrouw. Ik vond het helemaal geweldig, maar eenmaal in de Lellebel werd ik uitgelachen door een groepje corpsstudenten, die ook nog eens de hele avond met priemende vingers naar me bleven wijzen. Ik was 41 jaar oud. Ik voelde me afgedankt, waardeloos en ik kon aan niets anders meer denken dan dat een van die prutstudentjes later mijn oncoloog zou worden. Opeens was ik niet meer zo’n tegenstander van euthanasie in een beginnend stadium van kanker. Naast me stond een jongen in houthakkersoverhemd, die zich eerder al netjes voorgesteld had als onderhoudsmonteur uit Purmerend. Hij legde een grote hand op mijn arm en zei: ‘Het geeft niets dat ze je uitlachen. Voor mij ben jij een klassewijf.’

Het was duidelijk tijd geworden voor dit klassewijf om naar huis te gaan, de mastik en de make-up te verwijderen om nooit meer in Drag te gaan.

~HvdK

Geef een reactie